Login

De Belgische Tax Shelter regeling : een aantrekkelijke risicovrije belegging in financieel belabberde tijden


Het hoeft geen betoog: op vandaag hebben vennootschappen met een overschot aan liquide middelen op hun bankrekening het uiterst moeilijk om aantrekkelijke beleggingsmogelijkheden te identificeren om deze een mooi financieel rendement te laten opbrengen, zeker als men zijn risico’s bij het beleggen van deze kasoverschotten wil minimaliseren. Ofwel moet men zich tevreden stellen met zeer lage interestpercentages indien de vennootschap opteert voor (vrijwel) risicoloze gelddeposito’s of obligaties (op dit ogenblik bedraagt de ECB-rente slechts 1%), ofwel is een financiële instelling pas bereid om een iets hogere rentevergoeding toe te kennen als de gelden over een langere termijn gaat gaan beleggen (tijdshorizon van 5 à 10 jaar). En dan nog blijft het nettorendement relatief beperkt, aangezien vele van deze rentedragende inkomsten nog een roerende voorheffing dienen te ondergaan van, in principe, 21% sinds 1 januari 2012. 

 

Een vennootschap zou ook zijn toevlucht kunnen nemen in meer risicovolle beleggingen, zoals beleggingen in aandelen. Maar met wispelturige financiële markten is het nog maar de vraag of er überhaupt belangrijke koersstijgingen te verwachten vallen. Als een vennootschap waardeverminderingen moet acteren op aandelenportefeuilles, dan zijn die fiscaal veelal niet aftrekbaar. Heeft men meer geluk, en de vennootschap kan meerwaarden op aandelen behalen, dan zijn deze meerwaarden in principe fiscaal vrijgesteld, vermits aan een aantal voorwaarden kan voldaan worden. Maar door één van de fiscale begrotingsmaatregelen van Di Rupo, zullen vanaf aanslagjaar 2013 (en soms al voor aanslagjaar 2012) ook “korte termijn”-meerwaarden afzonderlijk belastbaar zijn in de vennootschapsbelasting aan een afzonderlijk tarief van 25,75%. Dergelijke belasting kan opnieuw het netto-rendement aanzienlijk drukken bij een belegging in aandelen. 

 

De klassieke “veilige haven” in het beleggen van liquiditeiten blijft nog steeds het beleggen in onroerend goed. Voor een vennootschap zal men vooreerst dienen na te gaan of dergelijke activiteit wel past in haar maatschappelijk doel, zoniet riskeert zij mogelijks bepaalde kosten (afschrijvingslasten, rentelasten, enz.) niet als beroepskost in mindering te kunnen brengen van haar fiscaal resultaat. Daarenboven zijn de exploitatie-inkomsten van een onroerend goed (bv. huurinkomsten) veelal belastbare inkomsten die getaxeerd worden aan het volle tarief in de vennootschapsbelasting (vanaf 24,98% voor kleine vennootschappen tot 33,99% voor de meeste andere vennootschappen). En ook de meerwaarden bij realisatie van een onroerend goed door een vennootschap zijn veelal belastbaar. Niet steeds onmiddellijk ,want deze meerwaarden op een onroerend goed kunnen, mits bepaalde voorwaarden na te leven, “gespreid” belast worden via het regime van de “uitgestelde belastingen”. Wellicht nog problematischer vanuit een financieel oogpunt is dat beleggen in onroerend goed een lange termijn beleggingshorizon vergt: een investering in “bakstenen” is immers niet zeer liquide: als een vennootschap op zeer korte termijn, om welke reden dan ook, zich genoodzaakt zou zien om haar onroerende goederen van de hand te doen, dan komt dit in vele gevallen het optimale rendement van de vastgoedinvestering niet ten goede. 
Uiteraard kan de vennootschap ook uitkijken naar andere, in de praktijk, veel minder voorkomende beleggingsopportuniteiten. Denken we maar aan het beleggen in kunst (bv. een schilderij van een beroemd schilder). Maar dergelijke vormen van beleggingen zijn onderhevig aan een zeer hoge mate van subjectiviteit in hun financiële waardebeoordeling, wat de eventuele toekomstig te behalen positieve rendementen van kunst verre van zeker maakt.

 

Blijft er dan voor vennootschappen die over een mooie spaarpot aan liquide middelen beschikken dan niets andere over om deze in de figuurlijke “kous” te gaan stoppen? Wij menen van niet want een financieel aantrekkelijke beleggingsvorm voor vennootschappen lijkt ons de “tax shelter voor audiovisuele werken” te kunnen zijn. Via een investering in een Belgisch audiovisueel werk kan een Belgische vennootschap (of een Belgische inrichting van een buitenlandse vennootschap) immers een belangrijk fiscaal voordeel behalen middels een significante korting op haar belastingfactuur, waardoor een financieel interessant rendement kan worden behaald, dit met verwaarloosbaar financieel risico, en waarbij in vele gevallen zelfs een minimumrendement wordt gegarandeerd. Dit alles zonder dat de vennootschap haar liquiditeiten dient te immobiliseren gedurende vele jaren. Zowaar, het ei van Colombus, lijkt het. In deze bijdrage gaan wij in het bijzonder in op de tax shelter voor audiovisuele werken als financieel aantrekkelijk beleggingsinstrument voor vennootschappen die winstgevend zijn, hun opgebouwde reserves niet uitkeren aan hun aandeelhouders en die over voldoende “excess cash” beschikken om deze fondsen gedurende relatief korte periode (in de praktijk, veelal ergens tussen de 6 maanden en 1,5 à 2 jaar) willen missen. Daarom zullen ons in deze bijdrage minder inlaten in de fiscale en/of boekhoudkundige aspecten van de tax shelter, tenzij dit functioneel zou zijn.

 

1. De tax shelter: wat is dit nu weer?

Het zal niemand zijn ontgaan dat de Belgische filmsector het de laatste jaren zeer goed doet. Tal van Belgische producties, zij het bioscoopfilms, fictiereeksen voor TV, documentaires, kinder- en animatiefilms of -series, zagen de laatste jaren het levenslicht. Dit komt voornamelijk door het succes van de Belgische tax shelter regeling. Dit is niet echt nieuw, de maatregel is inmiddels zo’n 10 jaar oud, maar steeds meer is de maatregel gesofisticeerd uitgewerkt door tal van filmproductievennootschappen, intermediaire structuren en financiële instellingen, waardoor de tax shelter is uitgegroeid van een weinig gekende fiscale maatregel tot een aantrekkelijk financiële beleggingsopportuniteit voor vennootschappen die hun kasoverschotten via een (zo goed als) risicoloze belegging willen laten renderen. Zo werd inmiddels reeds 150 miljoen euro geïnvesteerd door Belgische ondernemingen via de tax shelter in de Belgische cinema. Het fiscaal voordeel verbonden aan de tax shelter draagt immers bij tot de financieel interessante “Returns On Investment” (ROI).

 

2. Welke vennootschappen kunnen beleggen via de tax shelter?

In principe komen alle Belgische vennootschappen (onderworpen aan de vennootschapsbelasting) en Belgische inrichtingen van buitenlandse vennootschappen (onderworpen aan de belasting van niet-inwoners) in aanmerking om te investeren via de tax shelter. In het bijzonder dienen in aanmerking komende vennootschappen over de volgende kenmerken te beschikken:

  • Binnen de vennootschap bestaat een belangrijk kasoverschot, als gevolg van aanzienlijke winsten uit de gewone bedrijfsvoering van de vennootschap, maar dit kunnen ook uitzonderlijke resultaten zijn, bv. ingevolge een verkoop van een bedrijfsactief. Meestal zullen dergelijke winsten door de vennootschapsbelasting (of belasting van niet-inwoners – vennootschappen) worden afgeroomd met zo’n 33,99%.
  • Deze winsten worden binnen de vennootschap gereserveerd, met andere woorden, zij worden niet uitgekeerd naar de aandeelhouders (via dividend of tantième).
  • De vennootschap behaalt voldoende winsten. Bij vennootschappen met zeer lage belastbare winsten, of zelfs verlies, is het niet voldoende financieel interessant, en veelal zelfs niet mogelijk, om te kunnen investeren via de tax shelter.

 

3. Hoe werkt de tax shelter?

Een vennootschap belegt haar overtollige liquiditeiten via een “tax shelter investering”, die in feite geen échte “investering” is, maar een “belegging” (volgens de Commissie voor Boekhoudkundige Normen verwerft men geen rechten in een film, maar rechten op een deel van de exploitatie-inkomsten die de filmproducent behaalt met haar audiovisuele productie). De investerende vennootschap krijgt voor iedere euro die hij investeert via de tax shelter, een fiscale vrijstelling gelijk aan anderhalve euro (wat overeenkomt met een fiscale vrijstelling van 150% van de totale tax shelter investering). Een klein voorbeeld maakt dit duidelijk: stel, een vennootschap heeft een overschot aan kasmiddelen van 100.000 euro. Bij een investering van dit bedrag via de tax shelter, bekomt de vennootschap een fiscale vrijstelling van 150.000 euro, en wordt dus geen vennootschapsbelasting meer betaald op deze vrijgestelde winst, waardoor de belastingbesparing in dit geval zo’n 51.000 euro (=150.000 euro x 33,99%) bedraagt, wat dus overeenkomt met zo’n 51% van het initiële tax shelter investeringsbedrag. Dergelijke fiscale vrijstelling is evenwel aan een dubbele beperking onderworpen:

  • Zo kan deze fiscale vrijstelling nooit meer bedragen dan 50% van de belastbare winst die ze voor het betrokken boekjaar behoudt binnen de onderneming.
  • Het maximale vrijstellingsbedrag bedraagt 750.000 euro, wat dus overeenkomt met een jaarlijks maximaal investeringbedrag van 500.000 euro. Dit bedrag is wel per boekjaar, zo kan een vennootschap ieder (boek)jaar opnieuw gaan investeren via de tax shelter.

 

Het is met andere woorden niet mogelijk om de volledige belastbare winst van een vennootschap “uit te vegen” door deze integraal te investeren via de tax shelter. Er zal dus nog steeds vennootschapsbelasting moeten betaald worden, maar in vele gevallen slechts de helft van wat zonder tax shelter investering aan belasting had moeten betaald worden.

 

4. Hoe behaalt een vennootschap nu een financieel rendement op zo’n tax shelter investering?

De “investeringsmix” van een vennootschap die investeert via de tax shelter, ziet er als volgt uit:

  • Maximaal 40% van de investering verloopt via een lening die de investerende vennootschap verstrekt aan de productievennootschap (financiële instellingen zijn evenwel uitgesloten om het tax shelter voordeel te behalen indien de gelden via lening ter beschikking worden gesteld).
  • Minimaal 60% van het investeringsbedrag vertegenwoordigt het aandeel in de winst die de producent zal behalen via exploitatie van het audiovisuele werk en waarop de investerende vennootschap aanspraak kan maken. Dit wordt ook wel het “equity” gedeelte van de tax shelter investering genoemd.

 

Het financieel rendement dat een vennootschap kan behalen door te investeren via de tax shelter, bestaat uit de volgende componenten:
Vooreerst is er de terugbetaling van de lening zelf, meestal gelijk aan 40% van de totale investering.

  • Op dit leninggedeelte zal de investeerder een rentevergoeding bekomen. De meeste producenten of intermediairs verlenen hierop een royale rente (tot 6,847% bruto, wat momenteel de maximaal toegelaten rentevergoeding is door de Belgische belastingadministratie (Rulingdienst). Deze interesten zijn wel onderworpen aan de vennootschapsbelasting (33,99%), waardoor de netto-interestvergoeding op dit leninggedeelte overeenkomt met 66,01% van de bruto-interesten.
  • Daarnaast verleent de fiscus als het ware een “korting” op de factuur aan verschuldigde vennootschapsbelasting door te investeren in de tax shelter. Het belastingvoordeel hieraan verbonden komt overeen met 51% van de totale tax shelter investering (zie punt 3 hiervoor).
  • Als men deze drie vergoedingen gaat samentellen, is de totale initiële investering nog niet volledig gerecupereerd. Er blijft nog steeds zo’n “restrisico” over van zo’n 9% (zonder rentevergoeding) tot 7,2% (bij een bruto-rentevergoeding van 6,847%). Om dit restrisico volledig weg te werken (komt dan overeen met een “kapitaalsgarantie”) en, meer nog, om zelfs een “gegarandeerd minimum nettorendement” te behalen, die volgens de Rulingdienst niet meer mag bedragen dan (netto, d.w.z. na aftrek van alle belastingen) 4,52% op jaarbasis (percentage nog geldig tot uiterlijk 12 oktober 2015), wordt gewerkt met “put option”. Dit is een verkoopsoptie waarover de investerende vennootschap beschikt, waarbij hij zijn rechten op de inkomsten van het audiovisuele werk kan verkopen (binnen de uitoefenperiode) aan de producent. Zo is de investeerder zeker dat hij toch een behoorlijk nettorendement behaalt, veel meer dan wat hij via een gewone belegging (bv. via kasbons, obligaties of via een gewone gelddeposito) zou kunnen behalen, zonder daarbij afhankelijk te zijn van het “commerciële succes” die zo’n film in de bioscoopzalen of fictiereeks op TV zal realiseren. Maar, mocht de investerende vennootschap overtuigd zijn dat zijn filmproject toch behoorlijke exploitatie-inkomsten zal genereren, dan kan zij ervoor opteren om deze putoptie niet te lichten, en dan geniet zij mee van de commerciële winsten die de producent behaalt uit de exploitatie van het audiovisuele werk. Bijzonder hieraan is op fiscaal vlak dat de uitbetaling van de vergoeding voor het lichten van de putoptie geen belastbaar inkomen vormt in hoofde van de investerende vennootschap (kwalificeert immers als een terugbetaling van een “actief”), terwijl de eventueel bekomen exploitatie-inkomsten wel belastbaar zijn in de vennootschapsbelasting. Uiteraard zal men met dit verschil in belastingregeling rekening moeten houden bij zijn keuze om deze putoptie al dan niet effectief te gaan lichten.

 

Een voorbeeld kan bovenstaande verduidelijken (looptijd en rendementen op jaarbasis):

Toekenning van de lening aan de producent 

 (40)

Toekenning van het equity gedeelte aan de producent 

      (60)

Totaal geïnvesteerd via de tax shelter  

(100)

Fiscaal voordeel (51% van het totale tax shelter bedrag) 

51

Terugbetaling van de lening  

40

Netto-rentevergoeding op het leninggedeelte (aan 6,874% bruto-rente)

1,8

Putoptievergoeding (gelijk aan 11,72% van het totale tax shelter bedrag) 

    11,72

Totaal behaalde inkomsten uit de tax shelter investering  

104,52

Netto-rendement (ROI) 

4,52%

 

Bovendien kunnen de “nominale” rendementen verder geoptimaliseerd worden via het “tijdselement” van de cashflows. Immers, het fiscaal voordeel bekomt men op het ogenblik dat de vennootschap zich engageert om te investeren via de tax shelter, terwijl de stortingen van de lening en van de investering via equity pas later kan geschieden. Bovendien is er nog een bijkomende verhoging van dit financiële rendement als men rekening houdt met het lagere bedrag aan voorafbetalingen die de vennootschap dient te doen ingevolge het gerealiseerde fiscale voordeel, waardoor de finale belastingschuld aanzienlijk kan verminderd worden. In de praktijk zien wij regelmatig een “Internal Rate of Return” (IRR) op een tax shelter investering van zo’n 12% en meer.

 

5. Welke risico’s zijn nu verbonden aan zo’n tax shelter investering

Zoals bij iedere investering, als met spreekt over mogelijk te behalen rendementen, moet men ook kijken naar de eventueel inherent verbonden risico’s van dergelijke investering. Wat de tax shelter betreft, kunnen zich in hoofde van de investerende vennootschap volgende vier risico’s voordoen:

  • de niet-terugbetaling van de lening door de producent (de producent kan immers financieel onvermogend zijn geworden om deze lening terug te betalen);
  • de niet-uitbetaling van zijn afgesproken interesten m.b.t. het leninggedeelte door de producent (bv. wegens financieel onvermogen van de producent);
  • het verlies van het fiscaal voordeel (komt overeen met 51% van de totale tax shelter investering), in het geval bepaalde wettelijke voorwaarden niet zouden worden nageleefd (zowel door de investeerder zelf, of de producent);
  • de niet-uitbetaling van de putoptievergoeding (of exploitatiewinsten als de investerende vennootschap de putoptie niet zou lichten) door de producent.

 

De fiscus laat toe dat de (kosten van) indekking van de twee eerstgenoemde risico’s ten laste mag vallen van de producent, bijvoorbeeld via het verstrekken van een  bankgarantie), zonder dat hierbij de fiscale vrijstelling verloren gaat in hoofde van de investerende vennootschap. Als de producent effectief deze kosten draagt, zal dit evenmin een negatieve invloed hebben op het te behalen rendement van de tax shelter investeerder.

 

Wat de twee laatstgenoemde risico’s betreft (zowel de indekking van het fiscaal voordeel als de uitbetaling van de putoptievergoeding), laat de fiscus niet toe dat de producent de kosten van enige garantiestelling zou dragen. Dit wel echter niet zeggen dat bv. de investeerder rechtstreeks, dan wel via een “derde partij” (bv. de intermediaire structuur) de kosten van garantiestelling voor de laatste twee genoemde risico’s zelf zou dragen (bv. via de premiebetalingen in het kader van afgesloten verzekering ter indekking van het risico op de terugbetaling van de putoptievergoeding of het bekomen (behouden) van het fiscaal voordeel in hoofde van de tax shelter investeerder), maar dan zal dit wel afgaan van zijn financieel rendement, aangezien de investerende vennootschap zelf de kosten moet dragen voor deze waarborgstelling.

 

6. Conclusie

Samengevat, kan men stellen dat tax shelter een financieel interessante belegging kan uitmaken voor heel wat Belgische vennootschappen: zij kan een gegarandeerd nettorendement op jaarbasis opleveren van zo’n 4,52% (via het lichten van de putoptie), met risico’s die bijna één voor één kunnen ingedekt worden, zonder dat dit afhangt van enig commercieel succes van het onderliggende audiovisuele werk waarin wordt geïnvesteerd.  Wordt verwacht dat de film het toch goed zal gaan doen in de bioscoop, of dat de film of fictiereeks ook internationaal kan doorbreken, dan kan de investeerder ervoor opteren om zijn rechten op de inkomsten in het audiovisuele werk niet over te dragen, om zo mee te genieten van de exploitatie-inkomsten, zodat het reële nettorendement volgens sommige producenten zelfs kan oplopen tussen 15% tot zelfs 30% van het initieel geïnvesteerde bedrag. Dat positieve rendementspotentieel wordt mee mogelijk gemaakt door de korting op de belastingfactuur van de vennootschap via de fiscale vrijstelling van de tax shelter regeling. Wat de investerende vennootschap er wel moet voor over hebben, is de complexiteit en de administratieve last van het tax shelter regime. Zo is er de boekhoudkundige en fiscale verwerking van zo’n tax shelter investering die goed moet geïmplementeerd worden. Men moet voldoende onderlegd zijn om het maximaal toegelaten investeringsbedrag te gaan bepalen en ook moeten heel wat contracten worden getekend en attesten worden bekomen. Een deskundige begeleiding door een tax shelter specialist is daarom geen overbodige luxe als men zich als investerende vennootschap, met een gerust gemoed,  wil verzekeren van dit meer dan gemiddelde rendement. Maar dit alles doet zeker niets af aan het feit dat de Belgische tax shelter regeling veel meer is dan een pure fiscale maatregel, en veeleer een interessant financiële belegging kan vormen voor Belgische winstgevende vennootschappen met overtollige liquiditeiten.

 

Auteur:
Rolf Declerck
Belastingconsulent
Erkend lid van het Instituut van Accountants en Belastingconsulenten (IAB)
Vennoot bij De Witte-Viselé Associates (www.dwva.be) en Tax Shelter specialist
Email: rdeclerck@dwva.be


11214 keer bekeken

Rubrieken: Financieel Vennootschapsbelasting

tax shelter rendement belegging










Favoriete tweets van TaxWorld